Geachte redactie,
De reactie van Jacqueline van Tol bewijst maar weer eens dat kleur ons allen bezighoudt. Het is denk ik goed om vanuit verschillende disciplines het onderwerp kleur te benaderen, daar valt alleen maar van te leren. En met die gedachte in het hoofd aanvaarde ik de uitdaging in het stukje van Jacqueline om nog eens wat speurwerk te verrichten. Ik besloot om op zoek te gaan naar het magische boek “De geheime kracht van kleuren – Kleurentherapie in de praktijk” van Karl Ryberg waar naar verwezen wordt. Via Marktplaats.nl had ik al snel een aantal exemplaren van het boek gevonden en na drie kwartier in de auto en zes euro armer was het boek in mijn bezit.” So far so good” al voorspelde de prijs niet al te veel goeds. Weer thuisgekomen begon ik nieuwsgierig te lezen...
Laat ik er eerst eens wat aardigs over zeggen. Het boek is vlot geschreven en bevat een groot aantal leuke en interessante wetenswaardigheden over kleur: de rol van kleur in het verleden, in het dagelijkse leven, en vooral over de effecten op het menselijke lichaam en geest en hoe die in therapie gebruikt kunnen worden. Jammer dat bronvermelding meestal afwezig is. Er staat achter in het boek wel een aantal pagina’s met referenties maar het is niet na te gaan wat bij welke uitspraak hoort. Vijf minuten op internet zoeken en je hebt een referentielijst die vele malen langer is. Ik kan niet anders zeggen dat na het lezen van dit boek bij mij een ernstig Jomanda-gevoel bleef hangen. Reeds op de eerste bladzijde kom je het volgende tegen: “In een wereld zonder kleur zou een mens die zijn ogen kan gebruiken en niet blind is waarschijnlijk sterven”. Dat hoeven we toch zeker niet te geloven? Het zou wel zeer slecht nieuws zijn voor monochromaten, kleurenblinden die alleen licht-donker variaties kunnen waarnemen. En wat te denken van de volgende citaten: • “Kleurentests leveren bij sollicitaties betrouwbaardere informatie op dan met een persoonlijk gesprek mogelijk zou zijn”. • “Kleuren zijn even belangrijk als het dagelijkse voedsel”. • “Therapeutische kleuren kunnen ook heel goed onopvallend in het verborgene gedragen worden, bijvoorbeeld als ondergoed of binnenvoering”. • “Dames dienen geen blauwe oogschaduw aan te brengen als ze bijziend zijn”. • “Als u slecht slaapt zou uw slaapkamer overwegend blauw moeten zijn zodat spieren en hart zich gemakkelijker kunnen ontspannen”. • “Neem een gekleurde fles van een geschikte kleurnuance of beplak er een met gekleurde folie. Vul de fles dan met water en zet deze een paar uur in de zon. Het zo behandelde water kunt u meteen drinken of in de koelkast bewaren voor later gebruik. Natuurlijk krijgt het water geen andere kleur maar het bevat nu de onzichtbare kleurinformatie die uw lichaam zal opnemen”, En zo kan ik nog wel even doorgaan. Wat mij betreft allemaal klinkklare onzin. Wat heb je aan een blauwe slaapkamer als het er donker is en je niet eens in staat bent om kleur te zien? Of moeten we het hier hebben van de trilling (wat is dat?) die een blauwe kleur op het lichaam uitoefent? Dan zou een blauwe pyjama, dekbedovertrek of blauwe deken toch veel effectiever zijn? Gelukkig laat Ryberg zelf ook af en toe een kritische noot zien. Zo legt hij uit waarom de oude, traditionele kleurentherapie niet wetenschappelijk is en van het toeval afhing. Het zat hem in het feit dat altijd gemengde kleuren werden gebruikt als stimulus; groen is bijvoorbeeld een mengvorm van geel en blauw (dit gaat echter alleen op voor het subtractieve kleurmengen, zoals met verf. Bij additief kleurmengen levert blauw en geel licht samen wit op). En door het gebruik van de mengvormen werden ook gemengde effecten teweeggebracht. Maar gelukkig zijn er de “superkleuren van de toekomst” die spectraal zuiver zijn (licht van een heel nauw golflengtegebied) en waarmee een veel zuiverder effect kan worden opgewekt. Niet verwonderlijk dat Karl Ryberg een website heeft waar hij deze techniek promoot (www.monocrom.se), het zal zeker niet gratis zijn. Waar het mij allemaal om te doen was, was de kleur van je werkkamer. Slechts één van de honderdnegenentachtig pagina’s in Ryberg boek gaat hierop in. Bijzienden moeten geen blauw vloeiblad op hun bureau leggen. Geen geel voor mensen met een hoge bloeddruk of mensen die snel hoofdpijn krijgen onder stress. En op werkplekken waar gevaar heerst moeten kleuren die nerveus of onrustig maken, worden vermeden. “That’s all”. Waar het mijns inziens aan ontbreekt in psychologisch getint kleuronderzoek is een goede en geaccepteerde onderzoeksmethode. In de medische wetenschap wordt tegenwoordig veel gewerkt volgens de principes van Evidence Based Medicine waarin een proef gerandomiseerd, dubbelblind en placebogecontroleerde wordt opgezet en uitgevoerd. Zoiets dergelijks zou ook op het kleuronderzoek van toepassing moeten zijn. In zijn boek bespreekt Ryberg vier patiënten bij wie zijn kleurentherapie succesvol was. Wat we nooit zullen weten is of de vier patiënten ook genezen zouden zijn als ze alleen de intensieve psychoanalytische gesprekken met Ryberg hadden gevoerd zonder daarna zijn lichttherapie te ondergaan, of als ze aan wit licht zouden zijn blootgesteld (daar zit dan toch alles in wat een mens nodig heeft?), of alleen de lichttherapie zonder de psychoanalyse, of eerst de lichtbehandeling en daarna een gesprek. Ik neem dit boek dan ook niet al te serieus. Het is net als met homeopathie: hoe meer je er in gelooft, hoe meer het voor je kan betekenen. Maar vermakelijk is het wel. Als we naar afzonderlijke studies kijken dan zijn er natuurlijk effecten zichtbaar. Het voorbeeld dat Jacqueline van Tol noemt over de ervaren temperatuur als functie van de kamerkleur laat dat zien. Echter, al in de jaren zestig van de vorige eeuw werd van die studies gezegd dat er doorgaans een verwarring in de onderzoeksvariabelen bij plaatsvindt. De drie basisdimensies waarmee we kleuren vastleggen (helderheid, kleurtoon en verzadiging) worden dan niet zuiver gehanteerd. De blauwe kleur was bijvoorbeeld veel donkerder dan de rode kleur zodat het effect mede werd opgewekt door een verschil in helderheid. Hoewel een enkele studie, in isolatie beschouwd, dus wel degelijk een effect kan laten zien, is het nog maar de vraag of die effecten overeind blijven in een overkoepelende meta-analyse. Een goed voorbeeld van een dergelijke meta-analyse is het vaststellen van het positieve effect van het rijden met lichten aan overdag. Het stukje “De kleur van je kamer” schreef ik onder de vlag van TNO. Bovenstaande reactie op het commentaar van Jacqueline van Tol is op persoonlijke titel aangezien ik niet meer in dienst ben van TNO. Momenteel ben ik een eigen bedrijfje aan het opstarten (Lucassen Colour Research) dat zich richt op wetenschappelijk onderzoek en advisering rondom de technische aspecten van kleur. Ik hoop in dat verband nog regelmatig van me te laten horen.
Met vriendelijke groet, Marcel Lucassen
Verschenen in Kleurenvisie 2007-1. Klik hier voor de reactie van Igor Asselbergs.
|